HOME  |  Geschiedenis De Paauw en Backershagen

Geschiedenis De Paauw en Backershagen

De stralende Paauw

Buitenplaats De Paauw kent een rijke geschiedenis, die zijn stralend hoogtepunt had als buitenverblijf van Frederik prins der Nederlanden (1797-1881) tussen 1838 en 1881. Hieronder wordt iets verteld over de historie en de plannen voor herstel van het park.

Rijke geschiedenis

Buitenplaats De Paauw is in de 17de eeuw ontstaan op grondgebied van twee oudere boerenhofsteden. Deze hofstede Te Pau en een naamloze hofstede dateerden van voor 1544. Te Pau was toen eigendom van de Delftse familie Van der Dussen en werd door hen verpacht aan een lokale boer. In 1680 kwamen beide hofsteden in eigendom van familie Hoeufft. Zij bewoonden in Den Haag het ‘De Witt-huis’ aan de Kneuterdijk en stichtten op De Paauw het huidige buitenhuis. Daarbij hoorde een fors park in geometrische stijl. In 1687 was dit de grootste buitenplaats in de omgeving van Wassenaar. Hiervan resteren nog het lindenlaantje in het achterpark en het terrein van de kwekerij naast het huis. Tussen 1770 en 1816 is door politicus en minister Adriaan Pieter Twent (1745-1816) stapsgewijs een nieuw park in vroege landschapsstijl aangelegd. In zijn meest uitgebreide vorm, van 1771 tot 1910, besloeg de parkaanleg een oppervlak van circa 37 hectare. Het strekte zich uit van tussen de Lange Kerkdam en de huidige Paauwlaan. Vanaf 1783 behoorde buitenplaats Raaphorst ook tot het bezit van Twent. Het westelijke duingebied hiervan werd door Twent aangelegd als overpark van De Paauw.

Prins Frederik der Nederlanden

In 1838 kocht Frederik prins der Nederlanden De Paauw aan. Hij ontwikkelde en verbouwde het buiten in twee fasen tot zijn Nederlandse hoofdverblijf, rond 1840 door architect J.D. Zocher jr. en rond 1855 door architect H.H.A. Wentzel en landschapsarchitect C.E.A. Petzold. Doordat de prins Pruisische (tuin)architecten aantrok kreeg het de buitenplaats in aankleding en afwerking de vorstelijke allure van een klein Pruisische paleis. Zelf was hij opgevoed aan het Pruisische  hof en zowel zijn moeder als zijn echtgenote waren van Pruisische komaf. De Paauw werd dan ook de plek waar prins Frederik en zijn gezin het meest thuis voelde. Het plan van Wentzel voor het huis en de parkaankleding met beelden, vazen, banken en de Prinsessetuin is vrijwel geheel uitgevoerd. Het plan van Petzold voor paden, beplanting en waterpartijen is slechts ten dele gerealiseerd. Hierdoor heeft in het park de grote vijver de typische Zocher jr.-vormgeving en zijn diverse onderdelen uit de tijd van Pieter Twent herkenbaar.

Ondertussen kocht Frederik tussen 1838 en 1854 vijf omliggende buitens aan, waar onder De Horsten, Backerhagen en Groot Haesebroek. De Paauw vormde zo van 1854 tot 1898 de kern van een groot, langgerekt grondbezit van circa 600 hectare tussen de Veurseweg in Voorschoten en de kuststrook. Deze parken werden met elkaar verbonden door veelal bestaande wegen aan elkaar te knopen tot grootse Umfahrungsweg (=rondwandeling) . Vanaf 1898 is het grondgebied door Frederiks erfgenamen in delen verkocht: De Horsten aan nichtje koningin Wilhelmina en andere delen aan projectontwikkelaars. Na 1910 zijn grote stukken van het park van De Paauw afgesplitst voor villabouw. Het huis werd in 1925 aangekocht door de gemeente Wassenaar en is sindsdien in gebruik als gemeentehuis. In de eerste helft van de 20e eeuw is veel van de parkaankleding verdwenen. Vanaf 1949 kreeg de gemeente andere stukken van het park ook in zijn bezit en stelde deze open voor het publiek. Kort daarop is het park sterk vereenvoudigd door architect H. Otto, waardoor tegenwoordig alleen de Prinsessetuin nog als bijzonder element bekend is.

Herstel van het park

Het huidige park is ongeveer 15 hectare groot en beslaat de kern van de historische buitenplaats, ongeveer het gebied dat het eerste park rond 1670 had. In de loop van de eeuw is het park sleets geworden. De gemeente roept het verval een halt toe en richt het park zo in dat de historische waarden van De Paauw hersteld worden. De restauratie wordt uitgevoerd op basis van onderzoek door Korneel Aschman naar de ontwikkelingsgeschiedenis van de buitenplaats.

Het beplantingsplan en het padenstructuurplan voor buitenplaats De Paauw is onderdeel van het project onderzoek en planvorming voor de historische parkaanleg. Beide plannen zijn een nadere uitwerking van de visie en het streefbeeld voor behoud en herstel van de parkaanleg. Voor de historische ontwikkeling, actuele situatie, visie en streefbeeld, zie de rapporten elders op deze webpagina (verwijzen naar links).

De uitvoering wordt mede mogelijk gemaakt door een subsidie van de provincie Zuid-Holland.

Buitengewoon Backershagen

De buitenplaats Backershagen herbergt een voor Nederland zeldzaam gaaf en groot voorbeeld van een park in Vroege landschapsstijl. Tegenwoordig ligt dit park tussen diverse grote villatuinen door. Oorspronkelijk behoren deze tuinen echter ook Backershagen. De ontwikkelingsgeschiedenis van Backershagen als buitenplaats voert terug tot 1680, maar begint als gebied al veel eerder met vier laatmiddeleeuwse boerderijen.

Vier hofsteden worden één buiten

De vier boerderijen stonden met gemiddeld 230 meter tussenruimte als een lint langs een voetpad tussen de huidige Menkenlaan en Paauwlaan. De meest zuidelijke hofstede, in de 16e eeuw van raadsheer Persijn, stond waar nu het voorplein van villa Wiltzangk is. De tweede hofstede, de Capoenswoning, is met vermelding in 1403 de oudst bekende boerderij van het terrein. Deze brandde af rond 1610 en de grond werd bij de Persijnshofstede gevoegd.

De derde hofstede vormt de kern van Backershagen. In 1681 kocht het Amsterdamse echtpaar Joan van Wassenaar en Elisabeth de Moor de boerderij. Hij overleed datzelfde jaar. Zijn weduwe bouwde vermoedelijk een herenkamer aan de boerderij. Zij legde aan de noordzijde een geometrische tuin aan, met twee vijvers in de zichtas van de herenkamer. Haar kleindochter Maria Clara van der Hagen erfde de hofstede in 1723 en huwde in dat jaar met Cornelis Backer. Dit echtpaar ontwikkelde de hofstede tot buitenplaats en noemden het naar hun achternamen Backershagen. In 1728 kochten zij de noordelijke, vierde hofstede aan. Rond 1730 bouwden zij een nieuwe buitenhuisvleugel voor hun boerderij met herenkamer. Het ongeveer 12 hectare grote park werd aangelegd met een laanstructuur in barokstijl, inclusief een grote oprijlaan met het nog bestaande inrijhek aan de Rijksstraatweg. De familie hield op het buiten een uitgebreide collectie vogels, vissen en later ook herten, terwijl achter het huis de boerderij in gebruik bleef. Voor de sport was er naast de boerderij een vinkenbaan.

Modieuze parkaanleg

De zoon en dochter van het gezin kochten in 1772 het zuidelijk aangrenzende Persijnshofstede aan met circa 23 hectare grond. Daarmee verdriedubbelde Backershagen in oppervlak tot 35 hectare. In hun parkdeel legden Willem Jan en Clara Elisabeth een park aan in de toen modieuze Vroege landschapsstijl. Het gebied bestond voor een groot deel uit oude duinkoppen, die per parkdeel op verschillende wijze werden gemodelleerd. Hierdoor ontstond een gevarieerd bospark, met bijzondere plekken: de heuvelachtige hertenkamp met slingerbeekjes, het heuveltjeslandschap met de grot/hermitage en een grote zichtweide, een wandelparkje tussen rondlopende wallen (nu deel van Ivicke) en als letterlijk hoogtepunt een duinvallei die uitloopt in een opgehoogd duin, met op de top de hoge tuinkoepel. Deze parkaanleg viel op en is in 1784 genoemd als een bijzonder voorbeeld van de nieuwe tuinmode. Het park bij het huis bleef vermoedelijk in oude staat gehandhaafd.

Van Backer tot prins

In 1818 overleed Clara Elisabeth als laatste van haar familietak. Nadien was familie Van Beresteijn-Quarles van Ufford eigenaar. Zij verkochten het in 1837 aan familie De la Bassecour Caan-van der Heim. Waarschijnlijk hebben zij de toen vooraanstaande architect J.D. Zocher jr. in de arm genomen om het ouderwetse barokpark voor het huis te moderniseren in landschapsstijl. De rechte oprijlaan werd vervangen door een slingerende toegangsdreef en vanaf het inrijhek kwam er een weids zicht naar het huis. Vanuit het huis werd de zichtlijn naar het hek doorgetrokken tot in Raaphorst. Jan Caan overleed in 1844 en zijn weduwe verkocht Backershagen in 1846 aan haar buurman, Frederik prins der Nederlanden. De prins veranderde tussen 1846 en 1881 weinig aan de buitenplaats en het huis gebruikte hij als gastenverblijf. Wel liet hij vanuit De Paauw wegen verbinden over zijn complex van buitenplaatsen, dat vanaf 1854 bestond uit De Paauw, De Horsten, Backershagen, Groot Haesebroek en Wildrust. Een nieuw deel van deze Umfahrungsweg werd naar ontwerp van tuinarchitect C.E.A. Petzold aangelegd vanuit Backershagen, door de weiden van de boerderij De Drie Papegaaien, naar Groot Haesebroek. Deze fraai slingerende parkdreef is nog geheel herkenbaar in de Backershagenlaan-Papegaaienlaan-Groot Haesebroekseweg.

Eén buiten wordt zes villa’s

Vanaf 1898 is het grondgebied door Frederiks erfgenamen in delen verkocht: De Horsten aan nichtje Koningin Wilhelmina en de andere delen aan projectontwikkelaars. Een investeerdersgroep hield Backerhagen zelf in handen en splitste het buiten rond 1912 op in zes forse villabuitens. Van noord naar zuid: Beukhage, Backershagen, Hartenkamp, Wiltzangk, Meyland en Ivicke. De villa’s werden gebouwd op open ruimten in het oude park. Rond de villa’s kwamen, passend bij de tuintrend, geometrische tuinen met gemetselde trappen, keermuurtjes en vijvers. De fraaiste, ontworpen door tuinarchitect D.F. Tersteeg, liggen bij Wiltzangk en Meyland. Aan de randen van de tuinen werd de oude parkbeplanting gehandhaafd. Het zuidelijke deel van Backershagen, nu Ivicke, is toen van het complex afgesneden door de aanleg van de Rust en Vreugdlaan.

In 1955 kocht gemeente Wassenaar het park Hartenkamp en delen van Beukhaghe, Backershagen en Wiltzangk. Samen met delen van De Paauw, Rust en Vreugd en Wittenburg werd het park in 1961 opgesteld als onderdeel van de Wassenaarse Landgoederenzone.

Downloads:

Top