Regeling stimuleringsfonds volkshuisvesting en monumenten Gemeente Wassenaar 2005 (SVn)
1. Werkingssfeer van de regeling
Deze regeling is van toepassing op;
- a.leningaanvragen voor restauratie en/of onderhoud aan dan wel bouwhistorisch of archeologisch onderzoek bij gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken. Een lening staat open voor de eigenaar van een beschermd gemeentelijk monument of een beeldbepalende zaak in Wassenaar.
- b. het verbeteren van bestaande particuliere eigen woningen door eigenaar-bewoner. Het betreft enkel woningen die gebouwd zijn vóór 1 januari 1946, die niet voldoen aan de redelijke eisen van bewoonbaarheid;
- c.het treffen van voorzieningen aan bestaande woningen, om te bevorderen dat ouderen er zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Het gaat om woningen, gebouwd vóór 1 januari 1995. Een verzoek daartoe kan worden ingediend door corporaties, particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners;
- d.het ondersteunen van of herbestemmingen van gemeentelijke monumenten en beeld-bepalende zaken voor huisvesting van aandachtsgroepen zoals ouderen, jongeren en starters;
- e.het stimuleren van voldoende, geschikte en bijzondere woonvormen zoals aanleunwoningen en andere varianten van wonen en zorg.
Van deze regeling kan door het college vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken, mits de aard en strekking van de regeling niet worden aangetast.
2. Lening
Een stimuleringslening wordt toegekend voor plannen waarvan de kosten minimaal € 5.000,- zijn per woning;
Geen lening wordt verstrekt voor:
- a.een project dat, of gedeelte van een project dat, op grond van enige andere regeling in aanmerking komt voor een andere lening of subsidie.
- b.te treffen voorzieningen waarvan de kosten door een verzekeringsuitkering of andere subsidiegever zijn of worden gedekt;
- c.voorzieningen die niet als sober en/of doelmatig kunnen worden aangemerkt;
- d.voorzieningen die niet in het belang zijn van volkshuisvesting en monumentenzorg.
Toekenning van een lening wordt vastgelegd in een zgn. toekenningsbrief. In deze brief wordt het project omschreven. Aansluitend wordt de hoogte van de lening, het rentepercentage en de looptijd vastgelegd.
3. Maximale hoogte lening
De lening kent een maximum voor:
- a) Het inpandig aanpassen of verbeteren van woningen conform het seniorenlabel bedragen circa € 15.000,-- ;
- b) Bouwkundige uitbreidingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan het seniorenlabel geldt een maximum van € 40.000,--;
- c) Het realiseren van nieuwe aanleun-/woonzorgwoningen of bijzondere woonvormen waarbij voorzieningen in de nieuwbouw worden geïntegreerd, van € 15.000,- per woning voorgesteld;
- d) de renovatie of opplussen sociale woningbouw van € 20.000,- per woning;
- e) het onderhoud op basis van een zesjaren meeronderhoudsplan en restauratie van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken van € 75.000,- per object.
Een aanvraag voor een stimuleringslening wordt afgewezen als het beschikbare leenplafond van het lopende jaar is bereikt en er geen mogelijkheid is om nog nieuwe verplichtingen aan te gaan.
Het college stelt de feitelijke lening voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten vast aan de hand van de “Leidraad subsidiabele kosten” van het ministerie van OC&W.
4. Prioritering
Het college geeft voorrang aan aanvragen van sociale verhuurders wanneer sprake is van complexgewijze aanpak in combinatie met een herstructurering van een wijk of buurt en valt binnen de sociale sector. Bij monumenten geldt dat de urgentie van de werkzaamheden moet worden aangetoond op basis een rapport van de Monumentenwacht. De urgentie bepaalt de prioritering.
Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst in behandeling genomen;
Indien het bij een aanvraag voor het verbeteren van bestaande particuliere eigen woningen gaat om een gemeentelijk monument dat dringend herstel behoeft, wordt hieraan de voorkeur gegeven boven woningen in dezelfde categorie, die niet tot gemeentelijk monument of beeldbepalende zaak zijn aangewezen.
5. Vereisten aanvraag
De aanvraag voor een Stimuleringslening wordt ingediend bij het College van Burgemeester en wethouders. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van het te subsidiëren project dient de aanvraag vergezeld te gaan van de volgende documenten:
- een onafhankelijk en deskundig opgesteld rapport met technische onderbouwing van het plan;
- eventueel bijbehorende verklaringen en aanwijzingen van nutsbedrijven;
- een gespecificeerde begroting van de kosten van het project;
- een werkomschrijving;
- tekeningen en (evt.) fotomateriaal die een goed inzicht geven in de te treffen voorzieningen;
- een eventuele lijst van eerder gesubsidieerde voorzieningen;
- een gewaarmerkte afschrift van een bewijs van eigendom (voor eigenaar-bewoner) en een gewaarmerkt uittreksel uit het kadaster;
- tot slot moet bij de aanvraag alle overige hierboven niet genoemde stukken worden ingediend die vereist zijn in het kader van (in geval van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken) de Erfgoed verordening en (in geval van woningen) de besluit indieningvereisten van de WABO.
Incomplete aanvragen worden niet in behandeling genomen.
6. Leningvoorwaarden
- a.Om in aanmerking te komen voor de lening mag met de werkzaamheden niet eerder zijn begonnen, dan nadat het College hierover een positief besluit heeft genomen. In uitzonderlijke gevallen kan het college na een schriftelijk verzoek hierover anders beslissen;
- b.Na een positief besluit moet uiterlijk binnen vijf maanden na toekenning van de lening een aanvang zijn gemaakt met de werkzaamheden. De werkzaamheden moeten binnen twee jaar zijn afgerond;
- c.Voor een zesjarenonderhoudsplan geldt dat de werkzaamheden binnen een periode van zes jaar moeten zijn afgerond;
- d.Bij afronding van de werkzaamheden moet door de aanvrager een gereedmelding worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders;
- e.Na gereedmelding toetst het college de werkzaamheden aan de voorwaarden van deze regeling en/of vereisten die zijn gesteld bij de toekenning van de lening
- f.voor meerjarenonderhoudsplannen geldt dat een tussentijdse toetsing wordt uitgevoerd;
- g.Voor het toezicht op de werkzaamheden is de aanvrager verplicht toegang tot de woning(en) te verschaffen aan door het college gemandateerde toezichthouders;
- h.Indien moet worden afgeweken van goedgekeurde plannen en vergunningen moet het college hiervoor schriftelijk om toestemming worden gevraagd;
- i.Bij toekenning moet tevens worden voldaan aan de leningsvoorwaarden en bepalingen van de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting;
- j.Gemeentelijke stimuleringsleningen zijn in beginsel hypothecair. Er dient derhalve een onderpand te zijn. Bij leningen aan corporaties dient sprake te zijn van borgstelling door Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Voor leningen aan particulieren geldt als voorwaarde een Nationale hypotheekgarantie.
- k.Na uitvoering van de werkzaamheden moet(en) de woning(en) voldoen aan de eisen zoals die worden gesteld door het Bouwbesluit en –in geval van monumenten ook- door de Monumentenvergunning dan wel de omgevingsvergunning.
7. Terugvordering lening
Een lening wordt teruggevorderd indien:
- a. niet is voldaan aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en/of vereisten;
- b. een lening wordt ingetrokken indien de lening is toegekend of vastgesteld op grond van onjuiste verstrekte gegevens of indien de te subsidiëren werkzaamheden om welke reden dan ook niet door zullen gaan;
Het college zal in deze gevallen het openstaande bedrag van de lening terugvorderen.
8. Overige
- a.Extra aflossing op de lening is altijd en zonder boete mogelijk.
- b.Bij verkoop van de woning wordt het schuldrestant uit de verkoopopbrengst afgelost.
- c.Het college verleent ontheffing van een in deze regeling genoemde termijn, indien daartoe schriftelijk en tijdig, d.w.z. vóór afloop van de termijn, een schriftelijk verzoek wordt ingediend. Aan deze ontheffing kan nadere voorwaarden worden verbonden door het college.
9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op de dag nadat zij is bekendgemaakt en kan worden aangehaald als Regeling Stimuleringsfonds Volkshuisvesting en Monumenten Gemeente Wassenaar 2005. .
BIJLAGE BIJ AANBIEDINGSFORMULIER
Financiële overwegingen bij eerdere besluitvorming in september 2004.
Het toekennen van aanwijzingsrechten uit het gemeentelijk fondsdeel is te zien als het verstrekken van geldleningen uit hoofde van de publieke taak en valt in tegenstelling tot de verstrekking van leningen uit hoofde van treasury niet onder de specifieke bepalingen van het treasury- en financieringsstatuut. Volgens artikel 3, lid 1 van het treasurystatuut geldt het algemene uitgangspunt dat de gemeente leningen mag verstrekken aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen. Over deze verstrekkingen dient de provincie geïnformeerd te worden.
Omdat de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de uitvoering heeft opgedragen, zijn B&W beslissingsbevoegd de aanwijzingsrechten toe te kennen aan die derde partijen die tot de beoogde doelgroepen van het SVn-beleid behoren.
Aangezien de rente op het nog niet aangewezen gemeentelijk fondsdeel wordt bijgeschreven op het fonds, is het Stimuleringsfonds budgettair neutraal in het financieel meerjarenperspectief van de gemeente opgenomen. Toekomstige toewijzingen uit het gemeentelijk fondsdeel drukken daarmee niet op de budgettaire ruimte. Het enige effect dat van het verstrekken van geld-leningen, hetgeen het “aanwijzen” in feite is, uitgaat is dat er géén rentebijschrijving op het fonds zal plaatsvinden over de verstrekte leningen. Ook van het langer dan tot 2012 verstrekken van geldleningen zullen derhalve géén negatieve gevolgen uitgaan voor de gemeentebegroting de liquiditeitsprognose zoals die nu op basis van bestaand, door de gemeenteraad geformuleerd beleid is zijn opgesteld.
In de besluitvorming tot dusver is nergens de bepaling opgenomen dat de inleg van het gemeentelijk fondsdeel gebonden zou zijn aan een bepaalde periode[1]. Voor het ABN AMRO-fondsdeel is dit uitdrukkelijk wél het geval en onttrekt ABN AMRO, zoals aangegeven, zijn inleg per 31/12/2011 aan het SVN. Voor de gemeente ligt dit per definitie niet vast en dient het Stimuleringsfonds dus als een oneindig “revolving fund” te worden beschouwd. In het huidige beleidskader hoeven (eigen) financiële overwegingen daarom geen rol te spelen bij de bepaling van de looptijden van te verstrekken geldleningen ten laste van het gemeentelijk fondsdeel. Gelet op de verzoeken die thans voorliggen, en met name de verschillen in de financiële positie van initiatiefnemers, is de keuze of het gemeentelijk fondsdeel, en dus SVN als stimuleringsinstru-ment, na 2012 beschikbaar moet blijven dan wel moet worden beëindigd een heel principiële keuze.
In het kader van de bezuinigingsbesprekingen zou de raad in overweging kunnen worden gegeven om de gemeentelijke betrokkenheid bij SVN gelijktijdig met die van ABN AMRO te laten aflopen (of misschien eerder). Dit heeft als nadeel dat de resterende korte looptijd van leningen door het vroege herfinancieringsmoment (met name voor particulieren) niet of nauwelijks interessant zal zijn. Voor de gemeente heeft dit daarentegen het voordeel dat de middelen éénmalig volledig (voorzover als creditsaldo aanwezig) dan wel structureel de beleggingsopbrengst ingezet kunnen worden ter dekking van tekorten. De intentie van SVn en het maatschappelijk belang dat daarmee wordt gediend pleiten voor een looptijd die verder strekt dan 2012.
Afgezet tegen het ongunstige financiële meerjarenbeeld kan men zich verder afvragen of het gewenst is gebruik te maken van de mogelijkheid die de gemeente heeft om op enig moment het creditsaldo van de gemeenterekening (i.e. het nog niet als lening verstrekte gemeentelijk fondsdeel) uit het fonds te halen. Binnen de gesloten overeenkomst kan nl. per direct het volledige gemeentelijk saldo worden overgeboekt voor zover dat nog niet in de vorm van leningen is aangewezen. (Deze overboeking is niet hetzelfde als het formeel opzeggen van de deelname aan het fonds; dat kan pas m.i.v. 2008 met inachtneming van een opzegtermijn van 1 jaar.)
Met de vaststelling door de raad van de beleidsnotitie per 30/6/2003 is deze mogelijkheid om de middelen per direct terug te halen als bestuurlijk onwenselijk ter zijde geschoven.
[1] In de aanvullende notitie bij het raadsvoorstel van 16 juni 2003 is, omwille van de vergelijkbaarheid bij de bereke-ningen van het voordeel van opties van het terughalen dan wel laten staan van de gemeentelijke inleg bij SVN laten staan, de looptijd voor beide opties op 9 jaar (dus tot 2012) gesteld. Dit heeft wellicht voor het misverstand gezorgd dat de gemeentelijke betrokkenheid bij SVN daadwerkelijk tot 2012 beperkt zou zijn.